Hans Jaap Melissen de wereld over Rotating Header Image

Avonturenboek met journalistieke reflectie

Voor de site De Nieuwe Reporter schreef ik dit artikel over mijn zojuist verschenen boek ‘Haïti, een ramp voor journalisten.’:

 

Ischa Meijer heeft het begrip rampeninflatie ooit het mooist verwoord. In een column gelezen door Cor Galis beweert Ischa dat de watersnoodramp van 1953, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, thuis bij zijn ouders weinig indruk maakte. “Omdat ze zelf in de oorlog zoveel mee hadden gemaakt. En om het aantal van 1843 verdronkenen werd in joodse kring nogal gelachen…Corrieoliebootje”

  

Waarschijnlijk heb ik deze column uit 1993 onbewust altijd met mij mee gedragen toen ik later als journalist in tal van rampen terechtkwam.  Vliegtuigcrashes, lawines, watersnood, aardbevingen. De tsunami. Ik ‘deed’ ze bijna allemaal. Als afwisseling tussen de oorlogen in Irak, Israël, Afghanistan of Libanon door.

Ik ontdekte al gauw dat rampen niet los van elkaar bestonden, maar elkaar in de gaten hielden. Ze vormden een lijstje, waarbij de één met stip boven de andere stond. Of de media er nu mee zijn begonnen, of getroffen landen zelf of hulporganisaties, in ieder geval speelt de rampenrace zich in de media af. Veel media verergeren vervolgens die bizarre race.

In de loop van mijn journalistieke bestaan zag ik hoe rampen met steeds meer enthousiasme werden onthaald. Met veel meer enthousiasme dan een oorlog, leek het wel.

Niet alle rampen. Het moest wel een ramp voor journalisten zijn: Een ramp die er het liefst met één klap is (aardbeving, vliegtuigcrash) en waarbij het journaille er een overzichtelijke klus van een week, hooguit tien dagen van kan maken. Daarna is het voorlopig klaar. Een ramp is veel prettiger dan een oorlog. Die kan immers zes dagen duren, of tachtig jaar.

Hoe meer rampen ik bezocht, hoe groter het gevoel van ongemak.

Want steeds meer kreeg ik de indruk dat de ramp geen normaal journalistiek onderwerp was, maar iets waarbij je op zoek moest naar de allerergst getroffenen, waarbij je als verslaggever ook duidelijk moest laten merken hoe heel erg, verschrikkelijk betrokken je zelf was. Televisieverslaggevers doen dat door zichzelf naast de getroffene in beeld te brengen. Radioverslaggevers ‘kiezen’ een toon. En krantenverslaggevers? Die zien gelukkig juist het gat dat dan ontstaat: van normaal verslag doen.

Want dat lijkt steeds meer een probleem. Een ramp is ineens iets heel anders dan een gemeenteraadsvergadering, een demonstratie of een staking van TNT. De rampenverslaggever mag zijn zoals de sportverslaggever die Oranje naar de overwinning schreeuwt. Honderdduizend doden, driehonderdduizend doden, vijfhonderdduizend doden! Gewelddadige plunderingen!

Het controleren van feiten wordt ondergeschikt gemaakt aan het spannende verhaal dat moet worden verteld. Dan doet de sportverslaggever het beter. Die zie ik zelden een wedstrijd die in 6-0 eindigt naar 10-0 afronden.

Net als bij voetbal willen we bij een ramp weten wie wint. Was Haïti nou erger dan de tsunami? Die vraag werd mij meteen gesteld nadat op 12 januari 2010 een deel van het Caribische land werd getroffen door een zware aardbeving. Ik had daarop geen antwoord. Maar de Haïtiaanse overheid wel: ‘We hebben al 230.000 doden begraven. En dat kan nog oplopen.’ Daarmee werd de tsunamigrens genomen. Later toonde ik aan dat die regering het niet zo nauw nam met die getallen. Maar daar waren maar weinig kritische geluiden over te horen.

 

Blijkbaar ontstaat er een soort ontzag voor een ramp, dat die een status kan bereiken waarbij alles geoorloofd is. Dat we dat ontzag (de ramp kan ons immers allemaal treffen) zo cultiveren, dat we zelfs in de journalistiek mee gaan schreeuwen. Meegaan met belanghebbende hulporganisaties en getroffen overheden.

Het ontzag voor onveiligheid verkoopt natuurlijk goed. Daar win je kijkers mee. Of je trekt ze naar speciale inzamelingsacties. Want als jou de ramp niet is overkomen, kun je je schuldgevoel daarover makkelijk in een gift omzetten. Een beetje ramp krijgt een eigen gironummer: 555. En een televisie- en radioactie.

Of je daarvoor heftige/emotionele reportages kon leveren, was het verzoek aan de verslaggevers in het veld. De portemonnee moest namelijk open. Ik weet zeker dat heel veel Nederlanders dat met een oprecht gevoel van medeleven hebben gedaan. Maar daarna moest het wel klaar zijn. Althans, van de media.

 ‘Haïti? Ja zeg, dat hoeft niet meer, de gemeenteraadsverkiezingen komen eraan. Deze laatste zin hoorde ik de dag na de Nationale Televisieactie uit de mond van een Hilversumse redacteur. Nederland had toen al, wat ik in mijn boek noem, een tsunami aan spectaculaire aardbevingsreportages over zich heen gekregen.

Ik vreesde toen vooral voor de volgende grote ramp, die misschien niet zo sexy was als Haïti. Hoe zou die het redden in de media? Zou dat nog steeds een ramp voor journalisten zijn, inclusief televisieactie?

Ik werd in de zomer op mijn wenken bediend. Pakistan werd getroffen door een enorme watersnood. Een ramp ‘groter dan de tsunami en Haïti bij elkaar,’ las ik zelfs. Het leken wanhoopskreten van een ramp die dreigde te verdrinken in het moeras van de rampeninflatie.

Niet sexy genoeg: veel te weinig doden (nog geen 2000), maar wel heel veel landbouwgrond verwoest. Maar dat is niet spannend in beeld te brengen. Zet dat eens tegenover de rampenporno die uit Haïti kwam. Geamputeerde kinderen, schreeuwende mensen onder het puin. En ook makkelijk: de Haïtaanse ramp diende zich met één vernietigende klap aan. Op een overzichtelijke plek: de hoofdstad. In Pakistan was het nog lastig zoeken naar waar je als journalist de mooiste, erge beelden zou kunnen maken.

De journalistieke rampenwetten bepalen dus wat wij erg moeten vinden. Dat zijn zaken die direct met menselijke emoties zijn te verbinden. Die zijn te vangen in bepaalde beelden: het knuffelbeertje in het puin van het ingestorte huis, of tussen de resten van een neergestort vliegtuig in Libië. De klok die stil is blijven staan op het moment van de aardbeving.

Dat had Pakistan allemaal niet.

Pas na veel discussie of een televisieactie niet meer zou kosten dan die zou opleveren, kwam er voor die enorme watersnood dan maar een beperkte televisieactie. Met een beperkte opbrengst. Rampenrace verloren. Haïti bedankt.

 

Haïti dat bij veel media volkomen was weggevaagd, van de aardbodem verdwenen, als een kaartenhuis ineen gestort en vast nog iets met het einde der tijden en de atoombom op Hiroshima.

‘Wat mij nog het meest verraste toen ik hier arriveerde was hoeveel er nog overeind staat,’ vertrouwde de tweede man van de VN in Haïti mij later toe.

Nee, ik wil de ramp niet bagatelliseren. Ik vind alleen dat de Haïtiaanse aardbeving groot genoeg was om hem niet ook nog te hoeven overdrijven.

 

Want dat het overdrijven, opblazen van zaken tot inflatie leidt is pijnlijk: niet alleen voor volgende rampen, maar ook voor de kwaliteit van de journalistiek.

 

Laat ik aan Ischa Meijer het laatste woord geven. Ischa worstelde in 1993 zogenaamd met de herdenking van de watersnoodramp van toen veertig jaar geleden. Dat zijn ouders er in 1953 geen enkele aandacht aan gaven wilde hij graag compenseren. Hij oefende om tijdens de herdenking te kunnen huilen:

 

“….. ‘Nou Cor, ik stel me dan gewoon voor dat er, toen in 1953, minstens zes miljoen Zeeuwen verdronken zijn. Handig hè, Cor?’

En toen moest ik toch zo lachen, zo verschrikkelijk lachen. Van de ellende en van de pret.

Want dat kan samengaan.

In joods gezelschap tenminste.”

 

Share/Save/Bookmark

Stiekem kijken bij ‘hectisch vertrek’ Ruben

Als enige zit ik er nog, in Libië. De niet zo geheime agenten die steeds met ons mee wilden, hebben het niet door.

Eerst konden we dankzij een zandstorm niet landen, maandag kon ik door de aswolk niet weg.

Om in deze termen te blijven, als een wervelwind verdween het journaille dit weekend weer. Klus geklaard. Volgende ramp.

Suriname wellicht. Een vliegtuigongeluk met 8 doden heet een ramp. Een busongeluk met 10 doden heet …inderdaad, een busongeluk. Wat is een ramp?

Een Telegraafjournaliste die een gewond jongetje wakker belt?

Of dat er ook verontwaardiging was uit hypocriete hoek?

Een bekentenis: ik stond zaterdag tijdens het vertrek van Ruben buiten bij het ziekenhuis in Tripoli. Niet om een item te maken, maar om collega’s te kijken. Er was ook een Nederlandse tv-ploeg, van een rubriek die niet wilde dat ze er stonden. Ik weet niet of het toch is uitgezonden. Maar het was absoluut bijzondere televisie. Kijkt u mee? Of lees niet verder als u politiek correct wilt zijn…

Net als Ruben op een brancard door de hal wordt gereden richting hoofduitgang wordt er binnen gevochten. Er valt iets kapot. Een vrouw met hoofddoek wordt tegen het raam geslagen, door een schreeuwende man, die haar vervolgens naar buiten sleurt. Dan volgt de brancard, omstuwd door teveel fotografen.

Ruben’s hoofd ligt onder een doek. Schrijlings, half over het bed heen hangt de Nederlandse ambassadeur in Libië, die zijn jasje als een potloodventer openhoudt, voor het al bedekte gezicht van Ruben.

Bij de ambulance gaat weer een doek omhoog. Is het iemands nachtjapon? Nee, te groot.

De schreeuwende man probeert de dame hardhandig vast te houden. Iemand legt uit: dat is haar echtgenoot. En bedoelt: ‘een goede man slaat soms zijn vrouw.’

Plotseling ontsnapt ze, rent naar de ambulance en maakt een foto. Ze is een verslaggeefster blijkt later. De Libische Jolande van der Graaf, van de lokale Telegraaf.

De schreeuwende man is niet haar echtgenoot: de krant heeft een klacht ingediend tegen het veiligheidspersoneel van het ziekenhuis. Haar pols is gebroken en haar schouder uit de kom. Als dat waar is natuurlijk.

Vermoedelijk durft geen enkel Nederlands medium foto’s te plaatsen van Ruben met zijn ambassadeur. Het was een bijzonder moment.

Ik hoop dat ze even twee zielen, één gedachte waren: Je maintiendrai!.

Share/Save/Bookmark

Oh W Libië

Oh W, Libië!

We waren al bijna in Libië toen de piloot het volgende zei: ‘dames en heren, ik ga u iets vertellen, het is niets ernstigs, maar we keren weer om. Naar Londen. Hij koos zijn woorden zorgvuldig. Hij kwam hoogstpersoonlijk de Nederlandse journalisten (NOS, Eénvandaag, Wereldomroep) uitleggen dat een zandstorm boven Tripoli heus de reden was van de onverwachte wending.

De volgende dag kwamen we er alsnog. Net voor de landing hielden we de adem in toen we beneden zagen hoe het soms ook kan aflopen. Nadat we in de hal, zonder visum, met visum, met halfbakken visum, allemaal hartelijk waren verwelkomd, wilden we graag zo snel mogelijk naar De Plek.

Dat ging in Libië zomaar niet…

Eerst naar het hotel, in het centrum. Met een ‘begeleider.’ Rondhangen. En dan toch weer terugrijden, naar het vliegveld waar het journaille zowaar vrij mocht wandelen, over de rampplek. We konden alles bekijken: schoenen, een reisdagboek, een knuffelbeer, en de pagina ‘W’ uit ‘Wat en Hoe zeg ik het in het Zuid-Afrikaans.’

Wasknijper=wasgoedpenniekie.

De inzittenden hadden er ongetwijfeld tijdens hun vakantie vaak om moeten lachen, die rare taal.

We liepen nog wat rond. Een kolonel van politie vertelde dat hij Ruben had gevonden, met zijn riemen nog om, in zijn vliegtuigstoel.

Even later was het dagboek weg. Er zijn teveel journalisten om te verdenken.

Ik weet alleen van de ‘W’ en denk na over het Waarom en het Wat. Van de ramp, maar ook van onze massale aanwezigheid, op deze vrijmarkt van verwoeste levens.

En wat doen we hier tot en met wat de Zuid-Afrikanen noemen: de naweek?

Share/Save/Bookmark

Nieuwe Haïtiaanse pickup line

De voorruit is van wapperend plastic, de achterruit van karton, maar de auto rijdt. En nu er steeds vaker regen valt is het een prettiger vervoermiddel dan de motor die ik steeds gebruik.

Samen met tolk Joleil hobbel ik door Port au Prince, dat nog steeds een onvoorstelbaar decor vormt. Toch is het straatbeeld verder niet veranderd: vrouwen passeren met manden met broden op hun hoofd. Straatverkopers proberen een paar dollar per dag binnen te halen. Wel speelt sommige koopwaar in op de veranderde markt: een man heeft een bos bezems op zijn hoofd.

Chauffeur Paul komt door mij op plekken die hij nog niet eerder heeft gezien na 12 januari. Vol ongeloof kijkt hij om zich heen. “Mijn land is kapot. Oh en kijk hier.” We passeren de gevangenis waar na de beving alle gevangenen de benen hebben genomen. Dan ziet Paul drie vrouwen staan. Hij stopt en roept iets in het Creools. Twee van hen lachen. De andere kijkt ontzet. Joleil legt lachend uit: “Paul riep: ik dacht dat alle mooie meisjes bij de aardbeving om het leven waren gekomen, maar nu zie ik er toch nog drie.” Paul vindt het prachtig dat ook ik erg moet lachen om deze nieuwe Haïtiaanse pickup line.

Maar er is meer in petto in deze wagen. We komen langs het presidentieel paleis, in elkaar gezakt, ten onder aan zijn eigen gewicht. Ik bel met de redactie. Of er veel haast is met een Haïti verhaal vandaag. “Oh wel nee, het kabinet zou kunnen vallen, dus dan weet je wel hoe de uitzending wordt gevuld.” Ik probeer het mijn autogenoten duidelijk te maken. “De Nederlandse regering heeft een probleem, met Afghanistan, en het kabinet zou kunnen vallen.” Dan hoor ik: “Ik vind alles best, als het maar niet deze kant op valt…..”

Ik schaam mij diep voor het harde gelach dat, dwars door het plastic en het karton, de auto uit schalt.

Share/Save/Bookmark

Journalistieke rust in Haïti

“Je krijgt een privé-persconferentie,” grapt  de woordvoerder van VN als ik om 9 uur ’s ochtends als enige klaar zit voor de persontmoeting die drie keer per week wordt gehouden. Maar dan druppelen even later toch nog vijf andere journalisten het zaaltje op de VN basis bij het vliegveld van Port au Prince binnen.

Onder hen twee radiocollega’s van het Amerikaanse National Public Radio, de rest is Frans, Engels en Spaans.  Na twee weken weg te zijn geweest is het verdwijnen van het enorme aantal journalisten misschien wel  de opvallendste verandering.  De puinhopen zijn nauwelijks geruimd, lijken liggen er nog onder en tallozen zitten nog steeds in kampen.  Deze ramp is niet zomaar opgelost, maar begint al langzaam weer uit het journalistieke zichtveld te verdwijnen.

Natuurlijk zitten er nog steeds collega’s, zelfs uit Nederland (Trouw bijvoorbeeld), maar in mijn hotel is het een fractie van twee weken geleden. Opvallend is dat degenen die er zitten vaak met lange termijn projecten bezig zijn. Een Amerikaanse documentairemaker.  Een schrijfster voor een maandblad.  Die hebben geen behoefte aan een persconferentie, die moeten gewoon zelf de straat op. Aan het eind van de bijeenkomst  zegt de VN woordvoerder dat  de persconferenties zullen worden teruggebracht naar twee keer per week. Ik zal die niet meemaken. Met wat nuttige telefoonnummers op zak stap ik achterop de motor en rijd weer terug naar het chaotische, stoffige centrum van de stad die verder moet, maar nog niet goed weet hoe.

Share/Save/Bookmark

De A2 naar Haïti

Een interbellum noemde ik dat altijd, als ik maar kort in Nederland was, tussen twee reizen naar bijvoorbeeld  Irak of Afghanistan in. Maar de afgelopen twee weken waren meer een inter-‘tremblement de terre’, zoals de aardbeving in het Frans-Haïtiaans  heet.

Dat betekende uitrusten, maar ook in een reeks programma’s en een debat opdraven om mijn indrukken en mening te geven. De weblog ‘Winnen van de Tsunami’ had wat losgemaakt. Teveel misschien wel, want nu leek het soms of mijn enige missie in Haïti was geweest om doden te tellen. Ik had er misschien 10 procent van mijn tijd in gestoken (en kwam uit op beduidend minder dan 230.000).

Te gast in het altijd leuke radioprogramma Spijkers met Koppen voelde ik mij bijna een Holocaustontkenner. Terwijl ik alleen maar niet wil dat er misschien wel 100.000 aardige, lieve Haïtianen ten onrechte worden doodverklaard..….

Ik probeerde verder duidelijk te maken dat de journalistiek ook bij een ramp mag blijven proberen om feiten te brengen. We zijn geen permanente giro 555 uitzending.

Haïti  heeft zijn eigen lading gekregen, ook bij Spijkers, waar ik eigenlijk best graag nog wat andere verhalen had kwijt gewild. Over waar mijn Haïtiaanse tolk (vader, zus en dochtertje dood) en ik zo ontzettend om hadden moeten lachen, tussen de puinhopen.  Maar toen ik de geschokte reacties zag op een door presentator Dolf Jansen gelanceerde grap over een  verongelukte rodelaar, leek het mij verstandig de kwetsbare luisteraarziel te ontzien. Want die ziel had zich immers, met het hart erbij, de afgelopen weken ingezet om enorme bedragen op te halen voor mijn geliefde Haïti.

Nu maar hopen dat die luisteraar en tv kijker nog steeds geïnteresseerd is of dat geld al iets doet voor het gemiddelde slachtoffer.  Aan de redacties van actualiteitenrubrieken en kranten zal het niet liggen, daar toonde men verrassend veel interesse voor nieuwe verhalen.

Alleen voor de taxichauffeur die mij naar Schiphol reed was Haïti te ver weg. Spreken ze daar Spaans? Hoe heet de hoofdstad?

Ik keek toen maar naast mij, naar de verbreding van de A2, prachtig wit besneeuwd.  We passeerden een waarschuwingsbord.  ‘Pas op.  Gevaar. Scheuren in wegdek.” Haïti kwam al steeds dichterbij.

Share/Save/Bookmark

Kalm blijven in de chaos

“Zullen we afspreken dat ik geen aardbevingen en andere rampen meer doe? Dan kan ik mij richten op Irak en Afghanistan en overige oorlogsplekken. En op Haïti natuurlijk.”  Zo ongeveer ging een gesprek een jaar geleden met leden van de hoofdredactie van de Wereldomroep.

Ik had zojuist mijn volledige baan  teruggebracht tot een gedeeltelijke en we namen mijn mogelijke reisbestemmingen voor het komend jaar door.

Maar “life is what happens while making other plans.’ Sindsdien bezocht ik drie aardbevingen. Het Italiaanse L’Aquila, daarna Sumatra en nu dus Haïti. De eerste twee deed ik onder licht protest, voor de laatste meldde ik mijzelf aan. Dat had vooral met mijn liefde voor Haïti te maken.

Mijn journalistieke weerzin tegen rampen als aardbevingen, watersnood en lawines (ja ook ‘gedaan’) is in de loop van de jaren toegenomen en ligt besloten in het één-dimensionale karakter ervan. In oorlogssituaties vallen er in het algemeen veel meer aspecten te behandelen, omdat er meer aan de hand is dan dat mensen zo maar iets overkomt. Hoewel er ook Haitianen zijn die denken dat de Amerikanen deze beving zelf hebben veroorzaakt om weer toegang tot dit land te krijgen.

Verder voel ik mij steeds vaker een voyeur, een gluurder naar andermans leed.

Ondanks al die bezwaren, was ik al  op weg naar Schiphol, met een satelliettelefoon, noodrantsoenen en een hoofd vol zorgen. Ik had een foto gezien van het verwoeste presidentieel paleis en vreesde voor het leven van bekenden. Sinds de strijd rond president Aristide in 2004 ben ik steeds weer teruggekeerd naar mijn heimelijke liefde. En een jaar geleden stelde ik zelfs, op vakantie, mijn vriendin aan Haïti voor.

Via Philadelphia kwam ik ’s avonds laat aan in de Dominicaanse Republiek, waar ik een taxi nam, voor een nachtelijke rit naar Port-au-Prince. De meeste andere journalisten kozen ervoor die nacht in Santa Domingo door te brengen. Ze dachten dat de grens met Haïti dicht was of  dat het levensgevaarlijk zou zijn die tocht in het donker te ondernemen.

Ik vond de man die letterlijk de sleutel tot Haiti had. Nadat hij het grens-hek had geopend arriveerde ik om drie uur  ’s nachts in ‘mijn Haiti’ , dat nog verdraaid veel leek op zoals ik het een jaar geleden had achtergelaten.

Vrouwen zaten langs de kant van de  weg met zakken rijst, te wachten op vervoer naar de markt. De huizen stonden overeind.

Pas bij aankomst in Port-au-Prince zag ik hoe de aardbeving had huisgehouden. Toch was de stad niet “volledig met de grond gelijk gemaakt” zoals sommige journalisten hadden beweerd.  Het allermooiste hotel van de wereld, het Oloffson, stond zelfs recht overeind. Veel gasten en de eigenaar lagen wel voor de zekerheid in de tuin te slapen.

Het nadeel van de eerste ‘paniek-meldingen’ is, is dat je als journalist ter plekke vooral dat eerste beeld aan het corrigeren bent, zonder dat je afbreuk wilt doen aan het feit dat het een van de grootste, meest vreselijke rampen ooit is.

Ik deed mijn best in de eerste kruisgesprekken.  Toch stuitte ik vaak op ongeloof, bij redactieleden, maar soms  ook bij presentatoren. In Nederland was het beeld ontstaan dat Haïti volkomen was verwoest, en dat je het land misschien maar beter kon opheffen. Dergelijke taal werd zelfs geuit door journalisten die je voorheen nog enigszins serieus zou hebben genomen.

Intussen stroomde Haiti vol met een duizelingwekkende hoeveelheid journalisten.  Ook Nederland liet zich niet onbetuigd. Alleen de EO al had op een gegeven moment drie verslaggevers rondlopen. Nu is Haiti wel het meest gelovige land dat ik ken, dus misschien was dat aantal niet buiten proporties.

Een journaliste van ‘France 6’ kwam voor exact drie nachten over.

Ik vermoed dat het getal 6 betekent dat er nog minstens 5 andere Franse tv-zenders ter plekke waren. Het bekende clubje oorlogsfotografen schoot naast elkaar foto’s van stapels lijken, van rouwende, wanhopige mensen. De jacht op de meest schrijnende, spectaculaire gevallen was geopend. Ik scheurde er tussen door, achterop de motor, met niet alleen een radiorecorder maar ook een tv-camera voor NCRV netwerk.

Mijn grootste vrees was dat Nederland in de ‘giro 555-stand’ zou gaan staan, omdat zo’n televisieavond meestal ook het einde markeert van de berichtgeving over een getroffen land.  De kijker, luisteraar wordt nog een keer overvoerd en kan daarna geen ingestort huis meer zien, maar wil gewoon weer eens lachen. Die zou ik overigens kunnen bedienen met het verhaal over een Canadees team, dat huisdieren kwam redden, maar ontdekte “dat Haitianen honden haten en katten eten…”

De giro-555 actie kwam en mij werd gevraagd radio-portretten te leveren die “best een beetje heftig en emotioneel mochten zijn, omdat die worden ingezet om mensen over te halen geld te geven…”

Ik leverde één portret, van een Haitiaan die ernstig twijfelde aan het zenden van geld.

Maar ik worstelde niet alleen met de ‘555’ uitzending. Het gevoel een leed-voyeur te zijn, een consument van rampen porno kwam steeds weer boven.

Bij de Haïtiaanse doden (op elkaar gestapeld op straat) en bij het hotel Villa Thérèse waar twee Nederlandse stellen lagen die hun adoptiekinderen kwamen ophalen. Het meest bizar was het moment dat de hoteleigenaar spullen van ‘één stel had gevonden. Toen hij een laptop opendeed, bleek dat die op stand-by stond en dat het email programma nog aan was. De headlines van de mails boden zicht op een afgebroken leven. Ik wist niet goed wat te doen met dit aspect en besloot dat ook nog even stand-by te laten, tot de lichamen waren gevonden. De dag nadat die waren geborgen meldde ik dat er twee Nederlanders waren gevonden, zonder daarbij de namen te noemen. Maar er zijn hier wonende landgenoten boos dat ik dat überhaupt heb gemeld.

Vanaf de Nederlandse redacties bleven intussen de verzoeken voor reportages binnenstromen. Langzamerhand kreeg ik bijna meer medelijden met de overvoerde Nederlandse media-consument dan met de ondervoede Haïtiaan.

Geheel volgen verwachting werd het de dag na de 555 uitzending dramatisch stil in mijn mailbox. Eén omroep meldde dat men wel weer klaar was met Haiti en dat ze zich vooral wilden concentreren op de naderende gemeenteraadsverkiezingen.

Er was niemand die zei: wij gaan vandaag een item maken over een land waar de afgelopen jaren in totaal veel meer doden zijn gevallen dan in Haïti. En als het meezit komt er dan zelfs een tv-actie. Voor Oost Congo. Voor Noord Korea.

Ik kijk nu om mij heen in het Oloffson hotel. Veel journalisten zijn al weer weg. Op internet zie ik Nederlands nieuws. “Huismus opnieuw vaakst geteld.” Iets verderop zit mijn trouwe tolk/fixer Joleil. Hij is in slaap gevallen. Samen met hem struin ik tijdens de laatste dagen van mijn verblijf,  zoveel mogelijk mortuaria, massagraven en overvolle begraafplaatsen af, waar de lijken soms los tussen de grafstenen liggen. Dat doen we  niet om een dramatisch verhaal te maken. Ik probeer een beeld te krijgen van het juiste dodenaantal. Als ik wel  zo’n dramatisch verhaal wil hebben, dan is dat altijd dichtbij. Joleil verloor namelijk zelf zijn vader, zijn zus en zijn dochtertje van drie.

Share/Save/Bookmark

Alles Smaakt Anders

Eén getal was de afgelopen dagen in ieder geval duidelijk: 555.

Als je andere, exacte cijfers wilt weten over de aardbeving in Haïti heb je het als journalist ter plekke niet gemakkelijk. 100.000 doden. 200.000 doden. De Haïtiaanse overheid roept van alles en het is verbijsterend hoe de getallen in Europa in steen worden gebeiteld.

Het is niet mijn eerste aardbeving. Vast niet mijn laatste (tenzij mijn hotel straks alsnog het contact met de heuvel verliest). En logischerwijs roept de hulpbehoevende partij altijd het hardst.

Ik wilde vandaag beginnen met uitzoeken hoe en of er hier is geteld.

Stap één is dan het mortuarium van het grootste ziekenhuis opzoeken. De eerste dagen na de aardbeving lagen daar honderden lijken wegens plaatsgebrek, opgestapeld voor de deur. Die waren nu weg. Maar toen ik dichterbij kwam en de lucht onverdraaglijk werd, zag ik dingen achter het mortuarium die ik hier niet ga opschrijven. Ik moest net niet overgeven en keerde heel snel om, mijn hoofd in mijn blouse verstopt.

Maar niet alleen wat ik op mijn netvlies kreeg was ‘blijvend’.

De geur, die helse geur, die verandert en verdiept in de loop van de dagen, kreeg ik niet meer weg. Die zat in mijn kleren. Het brood dat ik een uur later at, smaakte exact hetzelfde. De keelsnoepjes, (‘cherry’), smaakten naar….inderdaad.

Ik vind dat ik terug moet durven gaan. In Aceh, na de tsunami, heb ik de overheid overtuigd dat er iets heel erg was mis gegaan met tellen (enorme aantallen anonieme lijken werden begraven terwijl niemand die in mindering bracht op het aantal vermisten).

Ik weet nog niet of ik terugga naar dat mortuarium. Ik weet ook niet of het belangrijk genoeg is. Ik ben wel benieuwd of Haïti zich uiteindelijk houdt aan mijn ‘no guarantees-zelf ontworpen ‘aardbevingsformule’. Die houdt in: deel het eerste substantiële getal dat door het land zelf is genoemd, door twee en haal eventueel van die helft nog 20 procent af.

Bij een getal van 200.000 zouden er dus in Haïti zo’n 120.000 mensen weer uit de dood herrijzen. Om in giro ‘555’ termen te spreken: eindstand 80.000 doden.

Share/Save/Bookmark

De Plotselinge Dood

De hotelmanager stond er een beetje wezenloos mee in zijn handen, op de parkeerplaats van zijn compleet verwoeste  Villa Thérèse. Een witte Apple-laptop.  Van een omgekomen Nederlands stel, dacht hij.  En toen gebeurde er iets ongelooflijks: bij het openklappen sprong het apparaat aan.

Het leven van de eigenaar was be-eindigd, maar de computer was in de stand-by modus gegaan. Op het scherm verscheen het email-programma. Verbijsterd keek ik naar de headlines van de laatste mailtjes. Allemaal enthousiaste reacties uit Nederland, van familie en vrienden, op het net geadopteerde Haïtiaanse jongetje. Het laatste mailtje was ongeveer 21:20 uur verstuurd, Nederlandse tijd. Dat betekent anderhalf uur voor de aardbeving. Mijn verbijstering maakte plaats voor een ongemakkelijk gevoel. Moest ik dit filmen? Beschrijven in een radio-reportage? Terwijl de familie nog vrijwel niks wist en misschien nog hoop had? Wat zou t sowieso bewijzen. Is t rampen-voyeurisme of geeft het treffend weer hoe genadeloos en plotseling de aardbeving toesloeg.

Donderdag was dit, toen bijna niemand nog contact kon krijgen met Haïti. Als het internet ook was blijven werken zou de laptop ongetwijfeld van diezelfde familie en vrienden talloze verontruste mailtjes hebben ontvangen.

De laptop ging weer dicht. Ik besloot mijn verhaal ook even in ‘stand-by’ te zetten. Kort daarop werden de paspoorten gevonden en weer iets later de lichamen, van adoptieouders en kind. Ze liggen in een tijdelijk graf in de tuin van het hotel, te wachten om naar Nederland te worden vervoerd.

Share/Save/Bookmark

In de modder van Afghanistan

‘O ja, gaat Obama een plan bekendmaken? Dat wist ik niet. Maar we hebben hier ook geen tv of radio.” Rahmatullah staat tot zijn enkels in de modder die tussen de gammele hutten en tenten ligt. Hij komt uit de zuidelijke Afghaanse provincie Helmand en heeft dit kamp aan de rand van Kaboel de laatste jaren alleen maar groter zien worden.

Als ik hem, via mijn tolk, uitleg wat Obama’s plan waarschijnlijk zal inhouden, haalt hij een foto te voorschijn.“Nog meer Amerikaanse militairen, betekent nog meer ellende,” zegt hij en ik kijk naar het ontzielde lichaam van een kind van ongeveer 10 jaar oud.  Er volgen meer foto’s. Volgens Rahmatullah allemaal familieleden die per ongeluk door de Amerikanen zijn gedood.

Ook Mohammed Rahman wil iets zeggen en hinkt, steunend op twee krukken, naar ons toe. Van zijn rechterbeen is alleen een stompje over. “Ik ben boer en ik was op het land aan het werk toen er een bom op ons huis viel. We weten nog steeds niet waarom dat gebeurde.”

Intussen komen er steeds meer mensen bij ons staan. Een groepje vrouwen in burka’s gaat binnen gehoorafstand op de hurken zitten. Vier blauwe minitenten tussen de grotere onderkomens. “Die vrouwen komen gewoon uit Kaboel, maar ze hopen dat als er hulpverleners langskomen, ze ook wat krijgen,” zegt Rahmatullah zacht. Volgens hem is dat de kern van wat er moet gebeuren in Afghanistan: hulp, in de vorm van het bouwen van wegen, huizen, scholen. “Het westen moet af van het idee dat alles hier met wapens is op te lossen. Ook het versneld opbouwen van het Afghaanse leger zal niet veel helpen. Er moet gewoon worden gepraat met de Taliban. Dat is de enige manier. De meesten komen gewoon uit Afghanistan, dus die zijn niet weg te jagen.”

Share/Save/Bookmark