Voor de site De Nieuwe Reporter schreef ik dit artikel over mijn zojuist verschenen boek ‘Haïti, een ramp voor journalisten.’:
Ischa Meijer heeft het begrip rampeninflatie ooit het mooist verwoord. In een column gelezen door Cor Galis beweert Ischa dat de watersnoodramp van 1953, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, thuis bij zijn ouders weinig indruk maakte. “Omdat ze zelf in de oorlog zoveel mee hadden gemaakt. En om het aantal van 1843 verdronkenen werd in joodse kring nogal gelachen…Corrieoliebootje”
Waarschijnlijk heb ik deze column uit 1993 onbewust altijd met mij mee gedragen toen ik later als journalist in tal van rampen terechtkwam. Vliegtuigcrashes, lawines, watersnood, aardbevingen. De tsunami. Ik ‘deed’ ze bijna allemaal. Als afwisseling tussen de oorlogen in Irak, Israël, Afghanistan of Libanon door.
Ik ontdekte al gauw dat rampen niet los van elkaar bestonden, maar elkaar in de gaten hielden. Ze vormden een lijstje, waarbij de één met stip boven de andere stond. Of de media er nu mee zijn begonnen, of getroffen landen zelf of hulporganisaties, in ieder geval speelt de rampenrace zich in de media af. Veel media verergeren vervolgens die bizarre race.
In de loop van mijn journalistieke bestaan zag ik hoe rampen met steeds meer enthousiasme werden onthaald. Met veel meer enthousiasme dan een oorlog, leek het wel.
Niet alle rampen. Het moest wel een ramp voor journalisten zijn: Een ramp die er het liefst met één klap is (aardbeving, vliegtuigcrash) en waarbij het journaille er een overzichtelijke klus van een week, hooguit tien dagen van kan maken. Daarna is het voorlopig klaar. Een ramp is veel prettiger dan een oorlog. Die kan immers zes dagen duren, of tachtig jaar.
Hoe meer rampen ik bezocht, hoe groter het gevoel van ongemak.
Want steeds meer kreeg ik de indruk dat de ramp geen normaal journalistiek onderwerp was, maar iets waarbij je op zoek moest naar de allerergst getroffenen, waarbij je als verslaggever ook duidelijk moest laten merken hoe heel erg, verschrikkelijk betrokken je zelf was. Televisieverslaggevers doen dat door zichzelf naast de getroffene in beeld te brengen. Radioverslaggevers ‘kiezen’ een toon. En krantenverslaggevers? Die zien gelukkig juist het gat dat dan ontstaat: van normaal verslag doen.
Want dat lijkt steeds meer een probleem. Een ramp is ineens iets heel anders dan een gemeenteraadsvergadering, een demonstratie of een staking van TNT. De rampenverslaggever mag zijn zoals de sportverslaggever die Oranje naar de overwinning schreeuwt. Honderdduizend doden, driehonderdduizend doden, vijfhonderdduizend doden! Gewelddadige plunderingen!
Het controleren van feiten wordt ondergeschikt gemaakt aan het spannende verhaal dat moet worden verteld. Dan doet de sportverslaggever het beter. Die zie ik zelden een wedstrijd die in 6-0 eindigt naar 10-0 afronden.
Net als bij voetbal willen we bij een ramp weten wie wint. Was Haïti nou erger dan de tsunami? Die vraag werd mij meteen gesteld nadat op 12 januari 2010 een deel van het Caribische land werd getroffen door een zware aardbeving. Ik had daarop geen antwoord. Maar de Haïtiaanse overheid wel: ‘We hebben al 230.000 doden begraven. En dat kan nog oplopen.’ Daarmee werd de tsunamigrens genomen. Later toonde ik aan dat die regering het niet zo nauw nam met die getallen. Maar daar waren maar weinig kritische geluiden over te horen.
Blijkbaar ontstaat er een soort ontzag voor een ramp, dat die een status kan bereiken waarbij alles geoorloofd is. Dat we dat ontzag (de ramp kan ons immers allemaal treffen) zo cultiveren, dat we zelfs in de journalistiek mee gaan schreeuwen. Meegaan met belanghebbende hulporganisaties en getroffen overheden.
Het ontzag voor onveiligheid verkoopt natuurlijk goed. Daar win je kijkers mee. Of je trekt ze naar speciale inzamelingsacties. Want als jou de ramp niet is overkomen, kun je je schuldgevoel daarover makkelijk in een gift omzetten. Een beetje ramp krijgt een eigen gironummer: 555. En een televisie- en radioactie.
Of je daarvoor heftige/emotionele reportages kon leveren, was het verzoek aan de verslaggevers in het veld. De portemonnee moest namelijk open. Ik weet zeker dat heel veel Nederlanders dat met een oprecht gevoel van medeleven hebben gedaan. Maar daarna moest het wel klaar zijn. Althans, van de media.
‘Haïti? Ja zeg, dat hoeft niet meer, de gemeenteraadsverkiezingen komen eraan. Deze laatste zin hoorde ik de dag na de Nationale Televisieactie uit de mond van een Hilversumse redacteur. Nederland had toen al, wat ik in mijn boek noem, een tsunami aan spectaculaire aardbevingsreportages over zich heen gekregen.
Ik vreesde toen vooral voor de volgende grote ramp, die misschien niet zo sexy was als Haïti. Hoe zou die het redden in de media? Zou dat nog steeds een ramp voor journalisten zijn, inclusief televisieactie?
Ik werd in de zomer op mijn wenken bediend. Pakistan werd getroffen door een enorme watersnood. Een ramp ‘groter dan de tsunami en Haïti bij elkaar,’ las ik zelfs. Het leken wanhoopskreten van een ramp die dreigde te verdrinken in het moeras van de rampeninflatie.
Niet sexy genoeg: veel te weinig doden (nog geen 2000), maar wel heel veel landbouwgrond verwoest. Maar dat is niet spannend in beeld te brengen. Zet dat eens tegenover de rampenporno die uit Haïti kwam. Geamputeerde kinderen, schreeuwende mensen onder het puin. En ook makkelijk: de Haïtaanse ramp diende zich met één vernietigende klap aan. Op een overzichtelijke plek: de hoofdstad. In Pakistan was het nog lastig zoeken naar waar je als journalist de mooiste, erge beelden zou kunnen maken.
De journalistieke rampenwetten bepalen dus wat wij erg moeten vinden. Dat zijn zaken die direct met menselijke emoties zijn te verbinden. Die zijn te vangen in bepaalde beelden: het knuffelbeertje in het puin van het ingestorte huis, of tussen de resten van een neergestort vliegtuig in Libië. De klok die stil is blijven staan op het moment van de aardbeving.
Dat had Pakistan allemaal niet.
Pas na veel discussie of een televisieactie niet meer zou kosten dan die zou opleveren, kwam er voor die enorme watersnood dan maar een beperkte televisieactie. Met een beperkte opbrengst. Rampenrace verloren. Haïti bedankt.
Haïti dat bij veel media volkomen was weggevaagd, van de aardbodem verdwenen, als een kaartenhuis ineen gestort en vast nog iets met het einde der tijden en de atoombom op Hiroshima.
‘Wat mij nog het meest verraste toen ik hier arriveerde was hoeveel er nog overeind staat,’ vertrouwde de tweede man van de VN in Haïti mij later toe.
Nee, ik wil de ramp niet bagatelliseren. Ik vind alleen dat de Haïtiaanse aardbeving groot genoeg was om hem niet ook nog te hoeven overdrijven.
Want dat het overdrijven, opblazen van zaken tot inflatie leidt is pijnlijk: niet alleen voor volgende rampen, maar ook voor de kwaliteit van de journalistiek.
Laat ik aan Ischa Meijer het laatste woord geven. Ischa worstelde in 1993 zogenaamd met de herdenking van de watersnoodramp van toen veertig jaar geleden. Dat zijn ouders er in 1953 geen enkele aandacht aan gaven wilde hij graag compenseren. Hij oefende om tijdens de herdenking te kunnen huilen:
“….. ‘Nou Cor, ik stel me dan gewoon voor dat er, toen in 1953, minstens zes miljoen Zeeuwen verdronken zijn. Handig hè, Cor?’
En toen moest ik toch zo lachen, zo verschrikkelijk lachen. Van de ellende en van de pret.
Want dat kan samengaan.
In joods gezelschap tenminste.”
