Van Mook hield op maandag 23 juli 1951 een lezing op de zomeruniversiteit van Leiden. Herman Felderhof vroeg hem de lezing kort samen te vatten. Door de transcriptiedienst er de volgende tekst van gemaakt:
De Oosterse visie op de huidige wereldsituatie
Vraaggesprek van Herman Felderhof en Dr. J. H van Mook
Felderhof
Mijnheer van Mook, is er eigenlijk wel een Oosterse visie, met andere woorden een algemene kijk op de wereldsituatie, waarbij men dus geheel Azië onder één noemer brengt?
Van Mook
Eigenlijk zou men van een dergelijke algemene Aziatische visie alleen kunnen spreken in verband met het Westen. Door de positie die het Westen eeuwenlang in Azië heeft ingenomen is er een gemeenschappelijkheid van gezichtspunten ontstaan, zowel van Westerse kant ten opzichte van Azië, als van Aziatische kant ten opzichte van het Westen, die nog nawerkt in de tegenwoordige tijd, nu Azië in vele nationale staten is opgedeeld.
Op den duur zullen natuurlijk die staten met hun eigenaardigheden en met hun onderlinge verschillen van beschaving en opvatting verschillende gezichtspunten gaan vertegenwoordigen en zal er van een Oosterse visie in de oude zin weinig sprake meer zijn.
Felderhof
Ja, en heeft het feit dat de onafhankelijkheid van Azië zich in betrekkelijk kort tijdsbestek heeft voltrokken deze landen in de woelige na-oorlogse jaren nog voor bizondere problemen geplaatst?
Van Mook
Kijk, het antwoord daarop lijkt mij heel eenvoudig, Wanneer U zich voorstelt, dat een land dat vele tientallen, soms honderden jaren zijn eigen bestuur niet heeft gevoerd plotseling geplaatst wordt voor de vraag om zichzelf te regeren en waarbij bovendien nog een regering moet worden ongebouwd op nieuwe grondslag van verkiezingen, dan spreekt het vanzelf dat dit alleen al een moeilijkheid van de eerste orde is.
Daarbij komt nog, dat de vorming van de naties in een groot deel van Azië heeft plaats gehad na de oorlog, nadat er voel verwoest was, nadat er veel was stuk gebroken dat tevoren nog bestond en temidden van grote interne woelingen, van grote spanningen tussen verschil+ lende delen van de volkeren, zodat de vraagstukken eigenlijk nog veel groter zijn dan zij zouden zijn bij een nieuwe natievorming. Men kan eigenlijk bijna geen vergelijking maken met iets dat elders gebeurd is. Misschien dat de vorming van de Verenigde Staten een vergelijking toelaat. En een welbekend feit is het, dat men in de eerste tientallen jaren van zijn bestaan de grote vrees had voor buitenlandse verwikkelingen, omdat men zoveel moeilijkheden te overwinnen had binnen ’s lands onder de omstandigheden veel meer gevaarlijker dan de Aziatische landen op het ogenblik hun weg moeten vinden.
Felderhof:
Wat is Uw inziens de reden dat India en ook andere Aziatische naties in de koude oorlog tussen de 2 reuzen Amerika en Rusland een neutrale houding aanneemt en zullen zij uiteindelijk niet partij moeten kiezen?
Van Mook:
Een van de redenen is vermoedolijk juist gelegen in die grote moeilijkheden binnenslands, Ook in India wenst men met zo veel mogelijk met rust gelaten te worden om zoveel mogelijk de kans te hebben die moeilijkheden op te lossen, zonder de complicatie erbij te halen van een partij kiezen in een wereldstrijd, waarin men zich niet bepaald partij voelt, het is waar, dat in India zoals in andere Aziatische landen, communistische partijen zijn; Ook is het waar dat India een zeer strakke houding aanneemt,Maar het conflict Rusland en Amerika, of wil men het communistische blok en het Noord-Atlantische Pact, liggen, naar de gevoelens van mensen in India, toch nog buiten de directe sfeer, waarin India zelf gesitueerd
is.
Men zal vermoedelijk in verschillende kringen niet ontkennen dat de mogelijkheid bestaat, dat India veel rechtstreekser betrokken wordt, maar aan de andere kant wijzen de Indiërs op heb feit, dat juist hun neutrale positie het hen mogelijk maakt, waar kansen bestaan van vergelijking, om als bemiddelaar op te treden. Want tenslotte mag men niet vergeten, dat een land als India openlijk partij kiest in zo’n conflict, dat dat onmiddellijk zijn terugslag heeft in zijn binnenlandse situatie, dat dat onmiddellijk een kwestie wordt van groepen en partijen over de verstandigheid of onverstandigheid van zo’n politiek en dat natuurlijk ook de communistische groepen in India een reden zouden zouden ontlenen om drastischer en krachtiger te gaan op treden.
Felderhof:
Dit houdt ook in, Mijnheer van Mook, dat het Westen ten opzichte van Azië de aarzelende houding, daarvoor begrip moet hebben?
Van Mook:
Ik geloof, dat men het beste doet wanneer men zich tracht te verplaatsen in de moeilijkheden van degenen tot wie men zich richt. Als men van Westerse kant, van Amerikaanse en Europese kant zou beginnen met te stellen dat men die moeilijkheden begrijpt, dat men met die moeilijkheden meevoelt, dan zou het contact over die aangelegenheid en het eventueel samengaan voor bepaalde doeleinden, bepaalde beslissingen waarschijnlijk veel makkelijker gaan, dan wanneer men alleen met verwijten werkt of alleen maar zijn schouders ophaalt en zich afvraagt of de mensen dan helemaal niet begrijpen in hoe een gevaarlijke toestand zij leven. Zij begrijpen dat heus wol, maar zij leven in een toestand die niet alleen gevaarlijk is door het opdringen van het communisme, maar bovendien allerlei moeilijkheden en gevaren inhoudt, die direct op de hand liggen, en die eerder en gemakkelijker opgelost kunnen worden , dan het meer wereld omvattender vraagstuk, waarover wij hot nu hebben
Felderhof:
Heeft het Westen over het algemeen gesproken nog een taak in Azïë ?
Van Mook:
Ik geloof, dat het een zeer grote taak in Azië heeft, wanneer het de weg ertoe kan vinden om de hulp die Azië in meer dan één opzicht van het Westen nodig heeft, te geven in een vorm die aangepast is aan de behoeften van de Aziatische landen on een de opvattingen die daar heersen.
Wanneer men dus niet uitgaat van de voorop gezette mening, dat een of ander systeem, het systeem van vrije onderneming of het systeem van een Europees socialisme moet worden toegepast bij Aziatische landen, maar wanneer men zich in de eerste plaats af vraagt wat zij nodig hebben, en op welke manier hun economie, hun sociale toestand, hun algemene situatie kunnen worden verbeterd met de technische en sociale en wetenschappelijke hulp van Westerse landen. Ik geloof, dat wanneer men van dat punt uitgaat, er een zeer grote hoeveelheid werk te doen staat en dat men op die wijze de kloof kan overbruggen die nog altijd in zeker opzicht in wantrouwen en onder vormen van herinneringen aan het verleden zich uitende, bestaat tussen een aantal Aziatische landen en het Westen.
