Het is nog nèt geen elf minuten na elf uur ’s avonds, op de elfde dag van de elfde maand, als een man met saxofoonkoffer er in het donker vandoor gaat. Op de achtergrond, in feestzaal Erato in de Brabantse grensstreek, klinkt het oorverdovende getoeter van een dweilband. Maar de saxofonist houdt het voor gezien. ‘Ik kan nie meer, ‘kmot naor huis,’ klinkt het aangeschoten, waarna hij over zijn eigen voeten struikelt.
Drie meisjes, verkleed als stewardesses en wankelend op uitdagende, hooggehakte laarzen, trekken de saxofonist omhoog. Ze zijn van luchtvaartmaatschappij Ordin Air. ‘Vlieg’de gij mee met ons?’ vragen ze de muzikant, die vervolgens stralend van geluk met de Ordin Air-meisjes verdwijnt in de nacht.
Welkom in Roosendaal, de stad die vanaf 11 november tot aswoendag in maart 2011 is omgedoopt in ‘Tullepetaonenstad’.
Zoals in bijna alle Nederlandse steden beneden de rivieren is de elfde van de elfde het startsein voor het echte leven: carnaval. Op de avond van 11-11 wordt de nieuwe Prins Carnaval beëdigd en bepaalt een jury welk bandje het carnavalslied van dat jaar mag leveren. De grootste zotten proberen op die avond alvast hun nieuwe carnavalspak uit.
‘I’m the blink man,’ lalt een man, gestoken in een zilveren pak. Voor de blink man is 11 het magische getal. ‘Het gekkengetal. Vanaf 11-11 gaan we los.’
Tussen de volmaakte 10 en het heilige 12 zit 11, het getal voor de dwazen dat onlosmakelijk verbonden is met carnaval. “Alaaf!”, de groet waarmee de Prins zich tot het volk richt, is een verbastering van ‘Elf’. 11 is ook twee keer 1, en daarmee symbool voor eendracht.
‘Carnaval betekent voor ons: je verliezen in vreugde en blijdschap,’ zegt Jos Grispen, ereboer in Tullepetaonenstad. Tot ereboer word je benoemd voor het leven, zegt Grispen. Het zijn mensen die zich in het verleden hebben ingezet voor carnaval. Grispen: ‘Sommigen zijn jarenlang Prins geweest, anderen hebben gediend in de Boerenraad, het dagelijks bestuur tijdens carnaval. In andere steden heet dat de Raad van Elf, maar wij hebben meer dan elf man nodig om het allemaal te organiseren.’
Het is een paar minuten voor 11.11 uur ’s avonds als de laatste dweilband het podium betreedt, in de hoop dat hun deuntje wordt uitverkoren tot het carnavalslied van 2011.
‘Dees jaor is ut elfletterige motto Vlieg d’ok mee,’ legt een jongen in onvervalst West-Brabants accent uit. Hij draagt een mantel van aan elkaar genaaide schuursponsjes en zingt uit volle borst het oerlied der Tullepetaonen: “Mee zotte kappen worre ze gebore, mee zatte koppen worre ze begraove”.
‘Een Tullepetaon is een soort parelhoen die een borreltje te veel op heeft,’ zegt een ereboer die achterin de zaal tevreden toekijkt hoe de nieuwe generatie Tullepetaonen feestviert. ‘Als je zoals ik al een paar jaar ereboer bent, kun je met een gerust hart sterven.’ Een jongen die naast hem staat kan daar alleen nog van dromen. ‘Dat wil ik later ook, ereboer worden. Het is het hoogst haalbare.’
‘Alááf!’ klinkt plots vanaf het podium. Prins Carnaval, de Hoogheid, opent de envelop met de jury-uitspraak. Het is precies elf uur elf op de elfde van de elfde, maar als de Prins de naam van de winnende dweilband bekendmaakt is hij allang niet meer te verstaan. In de Brabantse Erato-zaal gaat het dak eraf.
Een paar uur later komt blink man dampend van ’t zweet naar buiten. Dat het echte carnaval pas in maart 2011 begint betreurt hij. ‘Ik heb helaas ook nog werk, maar anders zou ik de komende maanden iedere avond los gaan.’
luister hier naar de radiorepo
Correspondent Tijn Sadée blogt over het leven in Brussel.

